Dirceu-Lula

Temidden van alle olievervuiling en een minister van milieu die met de vinger wijst naar Greenpeace als mogelijke schuldige, worden de Brazilianen ook dagelijks geconfronteerd met een politieke vervuiling en een regering die, i.p.v. een waardig alternatief te vormen voor de blunders van de vorige regering(en), het zo mogelijk nog bonter maakt. De hervorming van de pensioenen kwam er niet dankzij hen, eerder ondanks. En nu pakt het weekblad Veja, niet vies van een sensationele kop, uit met een titel als “Marcos Valério citeert Lula als een van de opdrachtgevers van de moord op Celso Daniel”. Dat is niet niks. Om wie, en ook om wat gaat het hier eigenlijk? De zaak Celso Daniel kwam hier al eerder aan bod. Even het geheugen opfrissen.

Celso Daniel was 50 toen hij vermoord werd. Dat gebeurde op 18 januari 2002, in Santo André (São Paulo), de stad waar hij burgemeester was. Daniel was lid van de arbeiderspartij PT. De details van het misdrijf beschikken over alle elementen die nodig zijn voor een thriller, zij het dat tot op vandaag onduidelijkheid bestaat over de opdrachtgevers. Celso Daniel coördineerde in die dagen de verkiezingscampagne van ex-president Lula. In de nacht van 18 januari werd hij ontvoerd nadat hij een churrascaria (grillrestaurant) verliet in de wijk Jardins, São Paulo. In de ochtend van 20 januari werd zijn stoffelijk overschot gevonden op een landweg, in Juquitiba. Het onderzoek wees uit dat hij gefolterd werd en daarna dood geschoten. In juli van datzelfde jaar besloot de politie dat de misdaad uitgevoerd werd door een bende van zes bandieten uit de favela Pantanal (zuidelijke zone van São Paulo), onder leiding van Sergio Gomes da Silva, beter gekend onder zijn bijnaam “Sombra” (schaduw). Sombra was een vertrouwensman van Celso Daniel en dikke vriendjes met zakenman Ronan Maria Pinto, eigenaar van een busbedrijf in Santo André en van de krant Diário do Grande ABC.

Later bleek dat Pinto nauw betrokken was bij een corruptieschema waarbij andere busbedrijven uitgeperst werden, ten voordele van de arbeiderspartij. Daniel Celso zou hiervan perfect op de hoogte geweest zijn. En dat leidt dan weer tot de veronderstelling dat hij vermoord werd omdat hij teveel wist. Sombra, Pinto en Klinger de Oliveira Sousa, destijds secretaris voor transport van de gemeente, staken een deel van het smeergeld in eigen zakken en dat zinde de prefeito niet. Bovendien zou Ronan Pinto bedreigingen geuit hebben tegen Lula, Gilberto Carvalho en José Dirceu (beiden ex-ministers in de regering Lula) om alles te onthullen. Die bedreiging zou geleid hebben tot het afkopen van zijn zwijgen voor een bedrag van R$ 6 miljoen. Dat verhaal werd later bevestigd door reclameman Marcos Valério, veroordeeld tot 30 jaren gevangenisstraf in het mensalão schandaal. Dat geld zou door de PT via veekweker José Carlos Bumlai (vriend van Lula) doorgegeven zijn aan Ronan Pinto. Een en ander werd later voor de tweede keer bevestigd door ex-senator (van de PT) Delcidio Amaral (nu zonder partij, meewerkend met het gerecht in het Lava Jato onderzoek).

Na de moord op Celso Daniel kwamen nog een reeks mensen om die op een of andere manier betrokken, of getuigen waren in deze zaak, zeven in totaal. Sergio Gomes da Silva (Sombra) stierf in september van 2016 aan kanker.

Marcos Valério

In een getuigenis voor het openbaar miniserie van São Paulo, citeert de ex-operator van het ‘mensalão’ schandaal tijdens de eerste regering Lula, de naam van de ex-president als opdrachtgever voor de moord op Celso Daniel. Lula zou hem (Valério) de toelating gegeven hebben om de chantage te betalen die de ex-president en andere kopstukken van de PT bedreigde, met name een ondernemer uit Santo André die dreigde om hen te verklikken als betrokkenen in de moord. Die ondernemer zou gezegd hebben dat Lula de echte opdrachtgever was van de moord.

In die getuigenis, opgenomen op video, herhaalt Marcos Valério het verhaal dat hij eerder vertelde tegen de toenmalige rechter Sérgio Moro:

“Het begon allemaal in 2003 toen Gilberto Carvalho, destijds kabinetschef van Lula, hem ontbood voor een meeting in het presidentiële paleis. Carvalho zou hem daar gezegd hebben dat Ronan Maria Pinto, betrokken in een corruptieschema bij de gemeente Santo André, ermee dreigde om de ganse koepel van het ‘Palácio do Planalto’ te verbinden met de moord op Celso Daniel: Marcos, we hebben een probleem. Ronan dreigt met chantage: mij, de president en José Dirceu. Wij willen dat jij dat oplost. Hij heeft geld nodig, en ik wil dat je gaat praten met Silvio Pereira (ex secretaris-generaal van de PT)”, zo zou Carvalho gezegd hebben.

Valério zegt ook dat, voor hij het Palácio do Planalto verliet, hij probeerde om meer informatie te verkrijgen van de toenmalige stafchef José Dirceu. Het antwoord van deze laatste was kort en krachtig: “Zorg dat je het oplost!”.

De procureur die Valério ondervroeg stelde vragen over de relatie tussen hem en enerzijds de ex-president, en anderzijds de toenmalige regering:

V: Het geld dat u beheerde was afkomstig van steekpenningen:
A: Caixa dois en paralelle inkomsten van corruptie, smeergeld en alles wat daarbij kwam kijken.
V: Van de federale regering:
A: Juist, van de federale regering.
V: Toen Lula president was?
A: Onder zijn presidentsschap.
V: Betalingen aan wie?
A: Aan volksvertegenwoordigers, ministers, persoonlijke uitgaves van de president, allerlei uitgaves van de arbeiderspartij.

Het volledige Veja-verhaal leest u hier.

Foto boven: Lula spreekt voor een seminarie van burgemeesters van de PT, in februari 2003. Naast hem: toenmalige stafchef José Dirceu.

Foto: Marcello Jr. - Agência Brasil