De tragedie van Araguiaia

Borboletas-Lobisomens

Brazilië beleefde in 1973 een periode die bekend is als “Anos de Chumbo” (loden jaren), een tijd waarin repressie en martelingen als regel gelden. Een groep militanten van de communistische partij PCdoB deed toen een poging om een guerrilla oorlog te ontketenen, aan de oevers van de rivier Araguaia. Toenmalig president Emílio Garrastazu Médici gaf het bevel aan aan generaal Orlando Geisel om de beweging de kop in te drukken, kost wat kost. Médici wilde hierbij geen getuigen. Het werd een bloedige periode in de geschiedenis van Brazilië waarin de regels van de Geneefse Conventie allesbehalve gerespecteerd werden. Journalist, universiteitsprofessor en historicus Hugo Stedart schreef een boek over deze episode: “Borboletas e Lobisomens” (vlinders en weerwolven).

In het boek onthult hij enkele nieuwigheden, tot nog toe onbekend. Zeven guerrilla-strijders zouden destijds overgelopen zijn naar de andere kant en beschutting gekregen hebben onder het mom van bescherming van getuigen, inclusief een nieuwe identiteit. Zij worden omschreven in hoofdstuk “Mortos-Vivos” (levende doden) van Araguaia. Stedart baseert zijn beweringen op (anonieme) getuigenissen van militairen van destijds, en bewoners uit de streek. De operatie zou destijds onder leiding gestaan hebben van Cyro Etchegoyen, oom van de huidige minister Sergio Etchegoyen (ministro-chefe do Gabinete de Segurança Institucional da Presidência).

Een andere onthulling in het boek dat vandaag officieel gelanceerd wordt, gaat over de toenmalige zwangerschap van een guerrillastrijdster, met name Crimeia Almeida, schuilnaam “Alice”. Zij zou toen een relatie gehad hebben met Joaquim Artur Lopes de Souza, bijgenaamd “Ivan”, een vertrouwensman van generaal Antônio Bandeira, chef van de repressie tegen de opstandelingen waar zij deel van uitmaakte. Ivan was de ondervrager van de militairen. Het boek suggereert dat “Ivan” alle bewijzen hieromtrent vernietigde. Het kind werd geboren in het hospitaal van het leger, en Crimeia werd hierbij bijgestaan door Léa, de echtgenote van generaal Bandeira.

Waar of niet waar, het loont de moeite om de geschiedenis van de tragedie in Araguaia op te rakelen, ook al omdat de militairen tot nog toe erg veel moeite doen om alles wat de dictatuur aangaat, met de mantel der liefde te bedekken. Het militaire regime in Brazilië maakte minder brokken dan elders, maar in tijden van grote politieke onzekerheden, kan het geen kwaad om even terug te blikken, ook al kan 2018 niet vergeleken worden met de sixties en seventies. Immers: “The one duty we owe to history is to rewrite it” (Oscar Wilde).

Guerrilha do Araguaia

Araguaia1De Guerrilha do Araguaia was een guerrillabeweging die bestond in het Braziliaanse Amazonegebied, langs de rivier de Araguaia, tussen de late jaren zestig en de eerste helft van de jaren 1970. De beweging was een initiatief van de Communistische Partij van Brazilië (PCdoB) en had tot doel een socialistische revolutie aan te wakkeren, die opgestart moest worden in het binnenland, gebaseerd op de overwinningservaringen van de Cubaanse revolutie en de Chinese revolutie. De Braziliaanse strijdkrachten begonnen de beweging aan te vallen vanaf 1972, toen vele van de leden al zes jaar ter plaatse waren. Locatie: de regio waar drie deelstaten elkaar tegenkomen: Goiás, Pará en Maranhão, langs de oevers van de rivier Araguaia. Nabije steden: São Geraldo de Araguaia en Marabá (Pará) en Xambioá in het noorden van Goiás (regio momenteel in het noorden van Tocantins, ook gekend als Bico do Papagaio).

Naar schatting ging het om ongeveer 80 guerrillastrijders waarvan er minder dan 20 overleefden, inclusief de ex-voorzitter van de arbeiderspartij José Genoino, aangehouden door het leger in 1972, in de eerste fase van de militaire operaties. De meerderheid van de strijders, gevormd door studenten van universiteiten en professoren, kwamen om het leven tijdens gevechten in het oerwoud, of werden gedood nadat ze opgepakt werden door het leger. Meer dan 50 van hen worden tot op vandaag beschouwd als vermiste politieke vervolgden.

De gebeurtenissen werden destijds geheim gehouden door de autoriteiten die niet wilden dat de bevolking van Brazilië aan de weet zou komen wat in de regio gebeurde. De details begonnen pas 20 jaar later aan de oppervlakte te komen, in de periode van de democratisering.

Araguaia-RegiaoIn de jaren zestig werd het gebied waarlangs de Araguaia-rivier stroomt, bewoond door Brazilianen, meestal uit andere regio’s, voornamelijk in het noordoosten van het land. Het ging om veetelers, gouddelvers of zoekers naar edelstenen, jagers op dierenhuiden, migranten op zoek naar allerlei soorten werk en rijkdom die die maagdelijke gebieden konden bieden. Hele gezinnen, op de vlucht voor de droogte van het Noordoosten, werkten op boerderijen voor minder dan een minimumloon. Velen hielden zich in het leven met het planten van mandioca (cassave) en noten, ongeletterd en uitgebuit door grileiros (die gronden op onwettelijke wijze bezetten en er het hunne van maken). De communistische partij PCdoB beschouwde de regio als de ideale plek voor het begin van een volksopstand. De voorbereiding van de guerrillastrijd begon al in 1964 toen de eerste militanten van de partij een politiek-militaire opleiding gingen volgen in China, geïnspireerd door het maoïsme. Tussen 1964 en 1968 werden er achttien militanten opgeleid in China. Een aantal van hen vestigde zich in Araguaia. Andere guerrilla’s werden getraind in São Paulo, meer bepaald in São Vicente (Baixada Santista, aan de kust van deze staat).

De legerleiding stuurde vier maanden na de coup een aantal officieren en sergeanten om een gevechtsopleiding te volgen in Panama, geleid door Amerikanen. De strijdkrachten waren al begonnen met een studie over mogelijke anti-guerrilla operaties, in alle stilte. Tussen 1969 en 1971 ontmantelde het leger kleine bases en infiltraties van de ALN en VAR-Palmares in de regio van de Papagaio Snavel, zonder grote moeilijkheden, in de zogenaamde “Operatie Mesopotamië”, manoeuvres van troepen in Imperatriz, Maranhão. Het embryo van de PCdoB-guerrilla in het gebied van Araguaia, Xambioá en Marabá bleef echter onbekend.

Het oerwoud, uitgangspunt van een oorlog zonder geplande datum, diende ook om politieke tegenstanders te verbergen die in alle stedelijke gebieden van Brazilië gezocht werden door de militaire dictatuur. Vanaf 1967 kwamen de eerste strijders in het gebied aan, uit het zuiden, zuidoosten en Maranhão, waar ze al gevestigd waren. Onder hen: João Amazonas, de leider van de partij, Elza Monnerat, Maurício Grabois, zijn zoon André Grabois, zijn schoonzoon Gilberto Olímpio Maria, dokter João Carlos Haas Sobrinho en de zwarte reus, ingenieur en bokskampioen Osvaldo Orlando da Costa, “Osvaldão”, en nog enkele anderen. Ze wisten zich te integreren in de lokale gemeenschap door het openen van kleine winkels, bars, het geven van medische bijstand aan huis, jagen, vissen, vervoer van mensen via kano’s, lesgeven aan de plaatselijke bevolking, gebruikmakend van dit alles om politieke propaganda te verspreiden. De ‘caboclos’ (lokale bevolking) noemden hen “Paulistas”. Ze gebruikten bijnamen als Cid, Mário, Dr. Juca, Dona Maria, Dina, Baianinha, Regina, Sônia, Zeca Fogoió, Mariadina en Cazuza e.a., voor de inwoners van Araguaia. Het ging voornamelijk om studenten scheikunde, architectuur, aardrijkskunde, techniek, literatuur, natuurkunde, astronomie, geneeskunde, geologie.

Er waren ongeveer 60 mannen en vrouwen, verspreid over een gebied van ongeveer 6.500 km², die de belangrijkste gemeenten en dorpen van zuidoostelijk Pará bedekten. Verdeeld in drie detachementen, A, B en C, werkte A in heel Transamazonica, in de regio’s van Faveiro, Fazenda São José, São João do Araguaia en Half; B bedekte het noordoosten van het Andorinhas-gebergte, in de zogenaamde Gameleira-riviervallei en C het zuidwesten van het Andorinhas-gebergte. Ze verplaatsten zich constant door het oerwoud en bleven niet plakken aan hun lokale basis. Ondanks de moeite die ze deden om zich te mengen met de lokale bevolking, bleef het duidelijk dat ze niet bij hen hoorden. De “mensen uit het bos”, aldus bestempeld door de caboclos, pasten gewoon niet in die omgeving. Het groepje guerrilla strijders groeide, maar erg langzaam. Het ging om jonge mensen (jonger dan 30) die geleerd hadden om te overleven in het oerwoud. Ze bereidden zich voor op de strijd, maar die kwam er vooralsnog niet. Toch geloofde de leiding van de PCdoB dat het met een of twee jaar voorbereiding mogelijk zou zijn om een revolutionaire guerilla-oorlog te ontketenen, in de lijn van de politieke strategie van de partij. Een vlucht van een van de guerrilla strijders, een opgave en twee inhechtenisnemingen in Fortaleza en São Paulo volstond voor de inlichtingendiensten van het leger om weet te krijgen van het groepje in Araguaia.

Operação Papagaio

De overheid verwerkte de ontvangen informatie, kruiste de gegevens en bracht de regio in kaart. Federale agenten trokken naar Xamboiá en ondervroegen de locals naar de aanwezigheid van buitenstaanders. Als gevolg daarvan trokken de militairen naar de regio en verhoogden stilaan hun aantal tot 1.500 manschappen in augustus 1972. De eerste operatie kreeg de naam “Operação Papagaio” met als doel het verzamelen van meer info. Dit leidde tot enkele aanvallen op basissen van de guerrilla beweging, maar de vogels waren al gevlogen, dieper in het oerwoud. De bevelhebbers van het leger besloten om drastischer in te grijpen en zetten de lokale bevolking onder zware druk, of boden hen geld aan voor informatie over de “Paulistas”.

Bergson Gurjão Farias was een voormalig scheikundestudent aan de Federale Universiteit van Ceará en zou de eerste zijn die in Araguaia zou verdwijnen. In de val gelokt door een parachute-patrouille, werd hij neergeschoten met machinegeweren. Zijn lichaam hing ondersteboven aan een boom en soldaten schopten tegen zijn hoofd. Twee anderen volgden hetzelfde lot: Kleber Lemos da Silva en Maria Lúcia Petit da Silva werden neergeschoten door een lokale boer in dienst van het leger, João Coioió. Zij werd begraven in Xambioá in een anoniem graf, gehuld in een parachute en het hoofd bedekt met een plastic (haar botten, ontdekt in 1991, werden geïdentificeerd door Unicamp- experts in 1996).

De samenwerking met de caboclos was niet alleen het gevolg van betalingen. De strijdkrachten betraden het gebied als een bezettingsmacht. Handelaren, straatventers en winkeliers beschuldigd van handel met de guerrillastrijders, werden gearresteerd, samen met een priester die last had van de burgemeester en een circusstrijder, deze laatste omdat hij lang haar had. Een Capixaba- boer die in Araguaia aankwam om een ​​nieuw aangekocht stuk land in bezit te nemen, werd gearresteerd en voor drie dagen in een gat gegooid in de aarde, afgesloten met een houten deksel. Een 55-jarige schipper uit de regio, Lourival Paulino, die de guerrilla’s vervoerde over de rivier, werd eind mei gearresteerd, belandde in de gevangenis van Xambioá waar hij werd gedood. Op zijn overlijdensakte stond dat hij zelfmoord pleegde door ophanging.

Het militaire offensief stagneerde tussen juni en augustus van dat jaar. In vier maanden tijd slaagde het leger er enkel in om minder dan een dozijn militanten aan te houden, of te doden. In september begonnen ze met een nieuwe aanpak, deze keer met de aanwezigheid van 3.000 manschappen. Het leger paste een andere tactiek toe: geneesmiddelen voor de locals, dokters, tandartsen in Marabá. Grootgrondbezitters werden gedwongen om hun arbeiders menselijk te behandelen. Maar het hielp allemaal niet. De tweede aanval had zelfs slechtere resultaten dan de eerste, ook al werden delen van het oerwoud bestookt met napalmbommen. De troepen trokken zich terug in oktober 1072. Niettemin liep het totaal aantal slachtoffers tussen de guerrillastrijders inmiddels op tot negentien. Het leger heeft nooit cijfers vrijgegeven over hun eigen slachtoffers. Tot zover “Operação Papagaio”.

Operação Sucuri

Araguaia2De terugtrekking van de troepen gaf de indruk aan de caboclos dat de Paulistas de oorlog gewonnen hadden. De lokale bevolking kreeg folders met socialistische boodschappen en er werden ook brieven naar kranten gestuurd. Ze hadden over communisme bij de caboclos, maar in werkelijkheid hadden die geen flauw idee waar het over ging. De guerrillas reorganiseerden zich in de eerste helft van 1973. Ze wisten zelfs enkele overwinningen te behalen en doodden minstens drie militairen. Maar hun aantal was klein: 56 mannen en vrouwen, waarvan zes boeren. Er was een gebrek aan kleding, schoenen, wapens, munitie en versterking, maar het moreel was hoog. Bovendien was het regenseizoen in aantocht waardoor zij dachten dat het leger pas zou terugkeren in het begin van 1974. De tweede aanval, “Operação Sucuri” kwam sneller, in april 1973. De militairen gebruikte vermommingen, zonder of met valse documenten, en verkleed als gewone burgers, net als de lokale bevolking. Ze begonnen een handeltje en eentje verkocht zelfs munitie aan de guerrilla’s om wantrouwen te vermijden. Tussen april en oktober van dat jaar werd alles in kaart gebracht, maar goed geheim gehouden door het leger. De echte soldaten kwamen terug in oktober, samengesteld uit manschappen van elite eenheden: parachutisten, marine, speciale jungle troepen en zelfs niet-geidentificeerde helikopters van de luchtmacht. De manschappen waren niet in uniform, zagen eruit als de locals, harig en bebaard. Het bevel: geen gevangenen maken, alles moet in stilte gebeuren.

Operação Marajoara

Hun acties leidden tot nooit eerder geziene wreedheden. Dorpelingen werden gearresteerd, gemarteld en mishandeld. Een van hen werd met besmeurd met suiker en opgehangen boven een mierenhoop totdat hij bekende wat hij wist. Met de komst van de elitetroepen in de regio werd een vrijwillige avondklok onder de bewoners afgekondigd. Niemand verliet het huis ’s nachts. De militaire strategie van intimidatie lokte aan beide kanten verknochtheid uit; Jana Moroni en Maria Célia Correa, “Rosa”, een voormalige bankier uit Rio de Janeiro en een student filosofie aan de UFRJ, werden gedwongen te vluchten voor het leger, inclusief kinderen uit de alfabetiseringsklassen van Jana Moroni en Maria Célia Correa. Tussen oktober 1973 en oktober 1974 werden de guerrilla’s stelselmatig uitgeroeid. Kleine gevechtsgroepen kwamen de jungle binnen met meer vuurkracht dan alle guerrilla’s bij elkaar. Vanaf dat moment verloren de guerrilla’s hun status van een georganiseerde militaire macht en verdeelden ze zichzelf in geleidelijk gedecimeerde kolommen, in een periode van zes maanden. Het werd een mensenjacht, wegrennen om te overleven. Helikopters vlogen over het oerwoud met luidsprekers, met de vraag tot overgave. Wie zich overgaf, werd vermoord. Anderen werden opgepakt door getuigenissen, vervolgens geëxecuteerd.

Dit alles duurde totdat de legerleiding berekende dat er hooguit nog een twintigtal guerrilla’s overbleef. Enkele manschappen van het bataljon speciale operaties bleven ter plaatse. Er werden kleine patrouilles gevormd, “Grupos Zebra” genaamd. Die gingen op jacht en ontvingen premies voor iedere guerrillastrijder die ze onschadelijk wisten te maken. Dode guerrilla’s werden gefotografeerd, ter identificatie voor de legerleiding. Als er geen camera beschikbaar was, werd een duim of zelfs het hoofd afgehakt. De laatste overlevende, Walkiria Afonso Costa, werd gevonden in oktober 1974 en gedood.

De strijdkrachten begonnen in 1975 met het wegstoppen van alle mogelijke informatie over de gebeurtenissen in Araguaia, dit op bevel van generaal Ernesto Geisel die toen aan de leiding kwam van de regering. Ongeveer 60 guerrilla’s werden gedood, 2/3 van hen na aanhouding en marteling. Documenten werden verbrand, lichamen werden opgegraven en vernietigd om alle sporen uit te wissen. Geisel sprak oppervlakkig over de gebeurtenissen in een bericht dat op 15 maart 1975 naar het parlement werd gestuurd, waarin stond dat er pogingen waren ondernomen om guerrilla-basissen te organiseren in het onbeschermde binnenland en in het verre Xambioá-Marabá, ten noorden van Goiás en ten zuidoosten van Pará, maar dat alles nu volledig onder controle was.

Aanbevolen lectuur voor wie meer wil weten over de Braziliaanse dictatuur (PDF).

Bronnen: Wikipedia - Braziliaanse Media

Foto's - Illustraties: Wikimedia Commons

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s